H R J > Huishoudelijk Reglement
 
Huishoudelijk reglement opgesteld in uitvoering van artikel 259bis-6, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek en goedgekeurd door de Algemene Vergadering op 4 oktober 2000.

Aanhef :

Dit reglement betreft, in uitvoering van artikel 259bis-6, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, de werking van de Hoge Raad voor de Justitie, voor zover deze niet uitdrukkelijk bij wet geregeld is. Met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de Hoge Raad voor de Justitie wordt een documentatie met een beschrijving van haar bevoegdheden en interne organisatie ter beschikking gesteld van eenieder die er om vraagt.

Afdeling I. Algemene bepalingen

art. 1. De voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie, hierna de Raad genoemd, is de protocollaire vertegenwoordiger van de Raad. Als hij verhinderd is kan hij die taak aan een ander lid van het bureau of van de Raad opdragen.

art. 2. Organen van de Raad in de zin van dit reglement zijn: het bureau, de algemene vergadering, de colleges, de benoemings- en aanwijzingscommissies, de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie, de subcommissies van de benoemings- en aanwijzingscommissies, de advies- en onderzoekscommissies en de verenigde advies- en onderzoekscommissie.

art. 3. De werkzaamheden binnen de Raad vinden in beginsel op de zetel van de Raad plaats. Bij beslissing van het betrokken orgaan kunnen deze uitzonderlijk buiten de zetel van de Raad plaatsvinden.

art. 4. De voorzitter staat in voor de goede werking van het orgaan dat hij voorzit. Behoudens in de gevallen geregeld in de wet van 22 december 1998 (B.S. 2 februari 1999), hierna de wet genoemd, wordt het voorzitterschap bij verhindering van de voorzitter bekleed door een lid van het bureau dat daartoe door het bureau wordt aangesteld.

art. 5. De voorzitter roept het betrokken orgaan bijeen en vermeldt de plaats, dag en uur van de aanvang en van het vermoedelijke einde van de vergadering. Hij opent en sluit de vergadering. Hij leidt de debatten. Als leden om de bijeenroeping van het orgaan verzoeken, overeenkomstig artikelen 13, 21, 26, 28 en 29 van dit reglement, vergadert dit orgaan binnen veertien dagen na het verzoek, tenzij de aanvragers akkoord zijn met een latere datum.

art. 6. De voorzitter bepaalt de agenda van de vergadering. Een lid dat een agendapunt wil laten toevoegen, vraagt dit aan de voorzitter. De voorzitter voegt dit punt toe aan de agenda van de eerstvolgende vergadering. In afwijking hiervan kunnen in geval van hoogdringendheid nieuwe agendapunten worden toegevoegd met instemming van twee derden van de aanwezige leden.

art. 7. De uitnodigingen worden ten minste acht werkdagen voor de vergaderingen aan alle leden verstuurd.
In geval van hoogdringendheid, te beoordelen door de voorzitter, worden de uitnodigingen ten minste twee werkdagen voor de vergadering verstuurd.
Zij bevatten de plaats, datum en uur, de agenda en kopie van de te onderzoeken documenten.
In geval van vergadering bij hoogdringendheid, kan een amendement of voorstel tot tekstwijziging de dag van de vergadering zelf worden ingediend. In het andere geval moet een amendement of voorstel tot tekstwijziging ten laatste drie kalenderdagen voor de vergadering aan de voorzitter worden overgelegd.

art. 8. Een lid dat verhinderd is om aan de vergadering deel te nemen verwittigt hiervan onmiddellijk de voorzitter. Dit lid kan de voorzitter ten laatste vierentwintig uur voor de dag van de vergadering schriftelijke opmerkingen meedelen. De voorzitter brengt de ontvangen opmerkingen bij de aanvang van de vergadering ter kennis van de andere leden.

art. 9. De voorzitter wordt op elke vergadering bijgestaan door een lid van het administratief personeel, die de functie van secretaris op zich neemt. De secretaris is belast met de opstelling van een proces-verbaal van de vergadering zonder vermelding van de naam van de sprekers tenzij deze daar uitdrukkelijk om verzoeken. De secretaris ondertekent dit proces-verbaal samen met de voorzitter. Het bureau wordt belast met de bewaring van de documenten.

art. 10. Het proces-verbaal wordt na ondertekening aan de leden gezonden en op de volgende vergadering ter goedkeuring voorgelegd.

Art. 11. Elke verzending kan gebeuren per gewone post, elektronische post of per telefax.


Afdeling II. Het bureau

art. 12. De procedure voor de samenstelling van het bureau, de aanwijzing van de commissies waarvan de leden van het bureau het voorzitterschap bekleden, en de bepaling van de volgorde waarin zij het voorzitterschap van de Raad bekleden, wordt voorgeschreven in een bijzonder reglement dat als bijlage wordt gevoegd en integrerend deel uitmaakt van dit reglement.

art. 13. Het bureau vergadert op verzoek van de voorzitter van de Raad en zo vaak als zijn opdrachten vereisen. Het vergadert ten minste om de veertien dagen of op verzoek van ten minste twee van zijn leden.

art. 14. Het bureau vraagt de bijstand van de leden van de Raad indien nodig.

art. 15. Het bureau coördineert de werkzaamheden van de Raad, zorgt voor de uitvoering van de beslissingen van zijn organen en is belast met het dagelijks bestuur.

art. 16. Het bureau bepaalt de wijze van rekrutering en selectie van het administratief personeel, op grond van dossiers voorbereid met de hulp van een werkcel, hierna de administratieve cel genoemd. Het legt zijn voorstellen voor aan de algemene vergadering.

art. 17. Het bureau is belast met de verdeling van de taken onder het administratief personeel en met de coördinatie van hun werkzaamheden.

art. 18. Het bureau bereidt de begroting voor, met de hulp van de administratieve cel. Het legt aan de algemene vergadering de begrotingsvoorstellen voor die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de Raad.

De verbintenissen tot uitgaven en de betalingsopdrachten worden door de voorzitter van de Raad ondertekend, binnen de perken van de dotatie van de Raad.

Als de voorzitter van de Raad verhinderd is kunnen de verbintenissen tot uitgaven en de betalingsopdrachten geldig worden ondertekend door een lid van het bureau.

Als de verbintenis of betalingsopdracht de som of de tegenwaarde van 50.000 BEF (1.239,47 EURO) overtreft wordt zij tevens ondertekend door een ander lid van het bureau.

art. 19. Het bureau moet de communicatie zowel binnen als buiten de Raad zo goed mogelijk bevorderen.

Onverminderd het recht op vrije meningsuiting van elk lid van de Raad binnen de grenzen van artikel 34 van dit reglement, gebeurt elke mededeling naar de buitenwereld die betrekking heeft op een stellingname of beslissing van de Raad in beginsel in de eerste plaats door het bureau.

Het bureau overhandigt regelmatig de agenda van zijn activiteiten aan de leden van de Raad, die daarenboven op de zetel van de Raad alle documenten kunnen raadplegen en kopiëren, onverminderd de bijzondere bepalingen uitgevaardigd door elke commissie.

Afdeling III. De algemene vergadering

art. 20. Elke bevoegdheid die door de wet niet uitdrukkelijk aan een orgaan van de Raad wordt toegekend behoort tot de taken van de algemene vergadering.

art. 21. De algemene vergadering vergadert zo vaak als haar opdrachten vereisen en ten minste tweemaal per jaar. Zij vergadert in beginsel met gesloten deuren. De voorzitter van de Raad roept de algemene vergadering samen, in geval van hoogdringendheid als hij het wenselijk oordeelt, of telkens een college, een commissie, of een werkcel erom verzoekt. Zij wordt tevens bijeengeroepen op verzoek van ten minste elf leden.

art. 22. Indien nodig richt de algemene vergadering in haar midden werkcellen op waarvan zij de taken bepaalt. De algemene vergadering bepaalt de omvang van de mandaten die zij toebedeelt aan één van haar organen of werkcellen.

De algemene vergadering stelt in haar schoot een deontologische cel in die paritair is samengesteld uit een Nederlandstalige magistraat en niet-magistraat en een Franstalige magistraat en niet-magistraat. Vier plaatsvervangers worden volgens dezelfde verdeelsleutel aangewezen. De leden en de plaatsvervangers worden binnen de maand na de aanvang van een nieuw mandaat aangewezen voor de volledige duur van het mandaat.

art. 23. De algemene vergadering keurt de adviezen, voorstellen, verslagen, richtlijnen, programma's en andere handelingen van de colleges en commissies, bedoeld in artikelen 259bis-9, § 1 en 2, 259bis-10, § 3, 259bis-12, § 1, 259bis-14, § 3, 259bis-15, § 7 en 259bis-16, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede de voorstellen en verslagen van de werkcellen goed.

Deze goedkeuring en de datum van de beslissing wordt, gevolgd door de handtekening van de voorzitter en de secretaris, vermeld in elk document dat door de algemene vergadering is goedgekeurd. De voorzitter, handelend in naam van de Raad, maakt het document desgevallend over aan de betrokken overheden. De beslissing tot verwerping van een amendement of voorstel tot tekstwijziging wordt gevoegd bij de tekst van het amendement of verworpen voorstel. Deze documenten worden bewaard door de Raad, waar zij door de leden geraadpleegd kunnen worden.

Artikel 23bis. In geval van uiterste hoogdringendheid die door het Bureau speciaal wordt gemotiveerd, raadpleegt de voorzitter via e-mail alle leden van de algemene vergadering. De leden worden telefonisch op de hoogte gebracht van het verzenden van die e-mail. In dit verband en overeenkomstig artikel 259bis-5, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek is een beslissing aangenomen indien :
1. ten minste 22 leden zich formeel per e-mail of per fax uitspreken;
2. de meerderheid van deze personen het voorstel van beslissing goedkeurt.
De tekst van voorliggend artikel 23bis wordt steeds bij de e-mail voor raadpleging gevoegd.

art. 24. De algemene vergadering keurt de begroting goed die door het bureau is voorbereid, en sluit de rekeningen af op verslag van twee commissarissen der rekeningen die zij elk jaar aanwijst.

art. 25. De algemene vergadering bepaalt de criteria voor de toekenning van de presentiegelden en de vergoedingen van de leden van de Raad, gelet op zijn verschillende activiteiten.

Afdeling IV. De colleges

art. 26. Elk college verenigt de leden van de Raad die tot hetzelfde taalstelsel behoren en heeft als taak advies te verlenen op gemotiveerd verzoek van het bureau, de algemene vergadering of een commissie. Het vergadert tevens op verzoek van ten minste zes leden.

Elk college vergadert met gesloten deuren, na bijeenroeping door zijn voorzitter, zo vaak als haar opdrachten vereisen en ten minste eenmaal per jaar.

art. 27. Indien nodig richt elk college in zijn midden werkcellen op waarvan het de opdracht bepaalt.

Afdeling V. De benoemings- en aanwijzingscommissies

art. 28. Elke benoemings- en aanwijzingscommissie, hierna de commissie genoemd, vergadert zo vaak als haar opdrachten vereisen, en ten minste zesmaal per jaar voor elke commissie en tweemaal per jaar voor de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie, hierna de verenigde commissie genoemd. De commissies vergaderen in beginsel met gesloten deuren na bijeenroeping door de voorzitter of op verzoek van ten minste drie leden.

De verenigde commissie bepaalt de wijze van beraadslaging en stemming.

Indien nodig richt elke commissie in haar midden werkcellen op waarvan zij de opdracht bepaalt.

Afdeling VI. De advies- en onderzoekscommissies

art. 29. De verenigde advies- en onderzoekscommissie, hierna de verenigde commissie genoemd, vergadert zo vaak als haar opdrachten vereisen en ten minste tweemaal per jaar. De voorzitter roept de verenigde commissie bijeen op verzoek van ten minste vier leden. Elke advies- en onderzoekscommissie, hierna de commissie genoemd, wordt bijeengeroepen door haar voorzitter op vraag van ten minste twee leden. De commissies vergaderen in beginsel met gesloten deuren.

De verenigde commissie bepaalt de wijze van uitvoering van haar opdrachten en de bijzondere procedureregels.

Indien nodig richt elke commissie in haar midden werkcellen op waarvan zij de opdracht bepaalt

art. 30. De verenigde commissie kan beslissen bepaalde van haar adviezen bekend te maken. Daartoe wendt zij zich tot de algemene vergadering.

Afdeling VII. Onverenigbaarheden en deontologie

art. 31. Voor de leden van de Raad gelden de onverenigbaarheden bedoeld in artikel 259bis-3, § 2 en de regeling inzake belangenconflicten bedoeld in artikel 259bis-19, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij zijn, net als de deskundigen en de leden van het administratief personeel, gebonden door het beroepsgeheim overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek, voor alle gegevens waarvan zij kennis nemen in de uitoefening van hun opdrachten.

art. 32. Het lid dat een belangenconflict heeft behandelt het dossier niet, of neemt niet deel aan de beraadslaging en de stemming. Het bestaan van het conflict wordt vermeld in het proces-verbaal van de vergadering.

art. 33. De leden van de Raad verwittigen de voorzitter van de commissie waarvan zij lid zijn onmiddellijk van de aanwijzingen betreffende misdaden of wanbedrijven waarvan zij kennis krijgen bij de uitoefening van hun opdrachten. Deze roept eventueel de commissie bijeen en treft de nodige maatregelen.

art. 34. De leden van de Raad oefenen hun opdrachten uit in alle onafhankelijkheid.
Zij onderzoeken de hen voorgelegde dossiers met naleving van de principes van objectiviteit en gelijke behandeling.
Zij hebben het recht om publike standpunt in te nemen in eigen naam over onderwerpen die door de Hoge Raad worden behandeld. Dit recht wordt uitgeoefend met respect vor het beroepsgeheim inzake interne beraadslagingen, vertrouwelijke stukken en informatie en voor de plicht tot loyauteit ten aanzien van de Raad.
De leden van de Raad doen geen afbreuk aan het vertrouwen van derden in de onafhankelijkheid en goede werking van de Hoge Raad.

art. 35. De leden van de Raad zijn in het bijzonder verplicht de termijnen voor de uitvoering van hun opdrachten zo goed mogelijk na te leven, geregeld aan de vergaderingen deel te nemen, en de beslissingen van de organen van de Raad na te leven.

art. 36. Een tekortkoming aan de deontologische verplichtingen vervat in de vorige artikelen kan een ernstige reden zijn in de zin van artikel 259bis-3, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek. De ernst van de verweten tekortkoming moet van die aard zijn dat zij onmiddellijk en definitief de voortzetting van de werkzaamheden in de Raad onmogelijk maakt. Zij wordt in het bijzonder beoordeeld in het licht van de functies die het lid in de Raad uitoefent, de herhaling van de inbreuk en het belang van de Raad.

art. 37. Een tekortkoming aan de deontologische regels wordt naar gelang van het geval door het bureau, een college, een commissie of een werkcel aangegeven bij de deontologische cel. De deontologische cel onderzoekt het dossier. Hij hoort onder meer het betrokken lid over de ingeroepen motieven en stelt een dossier samen dat bestaat uit : de aangifte, het verslag over de hoorzittingen, de eventuele schriftelijke opmerkingen van het lid en ieder ander gegeven dat ter kennis van de algemene vergadering moet worden gebracht.
De deontologische cel stelt een verslag op voor de algemene vergadering. Na onderzoek van het verslag en verhoor van de betrokkene kan de algemene vergadering besluiten om :
- ofwel het dossier te seponeren,
- ofwel een motie aan te nemen waarbij zij vaststelt dat het gedrag van het betrokken lid in strijd is met de deontologische regels die op hem toepasselijk zijn,
- ofwel de procedure bedoeld in de artikelen 259bis -3, § 4, en 259bis -19, § 2bis, van het Gerechtelijk Wetboek op te starten.
De leden van de deontologische cel die deelnamen aan het onderzoek nemen niet deel aan de beraadslaging en de stemming van de algemene vergadering.


 
Copyright © Hoge Raad voor de Justitie