| Artikel 151 van de Grondwet
§ 1. De rechters zijn onafhankelijk in de uitoefening van
hun rechtsprekende bevoegdheden. Het openbaar ministerie is onafhankelijk
in de individuele opsporing en vervolging onverminderd het recht
van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en om de bindende
richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het
opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen.
§ 2. Er bestaat voor geheel België een Hoge Raad voor
de Justitie. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden respecteert
hij de onafhankelijkheid bedoeld in § 1.
De Hoge Raad voor de Justitie bestaat uit een Nederlandstalig
en uit een Franstalig college. Elk college telt evenveel leden en
is paritair samengesteld enerzijds uit rechters en ambtenaren van
het openbaar ministerie die rechtstreeks verkozen worden door hun
gelijken onder de voorwaarden en op de wijze bij de wet bepaald,
en anderzijds uit andere leden benoemd door de Senaat met een meerderheid
van twee derden van de uitgebrachte stemmen onder de voorwaarden
bij de wet bepaald.
Binnen elk college is er een benoemings- en aanwijzingscommissie
en een advies- en onderzoekscommissie, die elk paritair zijn samengesteld
overeenkomstig de bepaling van het vorige lid.
De wet bepaalt nader de samenstelling van de Hoge Raad voor
de Justitie, zijn colleges en hun commissies evenals de voorwaarden
waaronder en de wijze waarop zij hun bevoegdheden uitoefenen.
§ 3. De Hoge Raad voor de Justitie oefent zijn bevoegdheden
uit in volgende materies :
1° de voordracht van de kandidaten voor een benoeming tot rechter,
zoals bedoeld in § 4, eerste lid, of tot ambtenaar van het
openbaar ministerie;
2° de voordracht van de kandidaten voor een aanwijzing in de
functies bedoeld in § 5, eerste lid, en in de functies van
korpschef bij het openbaar ministerie;
3° de toegang tot het ambt van rechter of van ambtenaar van
het openbaar ministerie;
4° de vorming van de rechters en de ambtenaren van het openbaar
ministerie;
5° het opstellen van standaardprofielen voor de aanwijzingen
bedoeld in 2°;
6° het geven van adviezen en voorstellen inzake de algemene
werking en de organisatie van de rechterlijke orde;
7° het algemeen toezicht op en de bevordering van het gebruik
van de interne controlemiddelen;
8° met uitsluiting van enige tuchtrechtelijke en strafrechtelijke
bevoegdheid :
- het ontvangen en het opvolgen van klachten inzake de werking van
de rechterlijke orde;
- het instellen van een onderzoek naar de werking van de rechterlijke
orde.
Onder de voorwaarden en op de wijze bepaald bij de wet, worden
de bevoegdheden vermeld onder 1° tot en met 4° toegewezen
aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie en de bevoegdheden
vermeld onder 5° tot en met 8° toegewezen aan de bevoegde
advies- en onderzoekscommissie. De wet bepaalt in welke gevallen
en op welke wijze de benoemings- en aanwijzingscommissies enerzijds,
en de advies- en onderzoekscommissies anderzijds, hun bevoegdheden
gezamenlijk uitoefenen.
Een wet aan te nemen met de meerderheid bepaald in artikel 4,
laatste lid, bepaalt de overige bevoegdheden van deze Raad.
§ 4. De vrederechters, de rechters in de rechtbanken, de
raadsheren in de hoven en in het Hof van Cassatie worden door de
Koning benoemd onder de voorwaarden en op de wijze bepaald bij de
wet.
Deze benoeming geschiedt op gemotiveerde voordracht van de bevoegde
benoemings- en aanwijzingscommissie, bij een tweederde meerderheid
overeenkomstig de modaliteiten bij de wet bepaald en na afweging
van de bekwaamheid en geschiktheid. Deze voordracht kan enkel worden
geweigerd op de wijze bij de wet bepaald en mits motivering.
In geval van benoeming tot raadsheer in de hoven en in het Hof
van Cassatie, geven de betrokken algemene vergaderingen van deze
hoven, voorafgaandelijk aan de voordracht bedoeld in het vorige
lid, een gemotiveerd advies op de wijze bij de wet bepaald.
§ 5. De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de
eerste voorzitters van de hoven en de voorzitters van de rechtbanken
worden door de Koning in deze functies aangewezen onder de voorwaarden
en op de wijze bij de wet bepaald.
Deze aanwijzing geschiedt op gemotiveerde voordracht van de
bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie, bij een tweederde
meerderheid overeenkomstig de modaliteiten bij de wet bepaald en
na afweging van de bekwaamheid en geschiktheid. Deze voordracht
kan enkel worden geweigerd op de wijze bij de wet bepaald en mits
motivering.
In geval van aanwijzing tot de functie van eerste voorzitter
van het Hof van Cassatie of van eerste voorzitter van de hoven geven
de betrokken algemene vergaderingen van deze hoven, voorafgaandelijk
aan de voordracht bedoeld in het vorige lid, een gemotiveerd advies
op de wijze bij de wet bepaald.
De voorzitter en de afdelingsvoorzitters van het Hof van Cassatie,
de kamervoorzitters van de hoven en de ondervoorzitters van de rechtbanken
worden door de hoven en de rechtbanken in deze functies aangewezen
uit hun leden onder de voorwaarden en op de wijze bij de wet bepaald.
Onverminderd de bepalingen van artikel 152, bepaalt de wet de
duur van de aanwijzingen in deze functies.
§ 6. Op de wijze bij de wet bepaald, worden de rechters,
de titularissen van de functies bedoeld in § 5, vierde lid,
en de ambtenaren van het openbaar ministerie onderworpen aan een
evaluatie.
|